De Geschiedenis van de Zeemeermin in Zevenbergen
Zeemeerminnen en zeemeermannen behoren tot het rijk van koning Neptunes en zijn over het algemeen een zeldzaamheid op onze breedtes. Meestal houden ze zich op in de diepe zeeen rond de evenaar waar het klimaat wat gunstiger is. In de tijd van de “ijzeren zeelieden” op hun houten schepen werden ze regelmatig gezien in de zeeen tussen de beide keerkringen. Vaak kwam koning Neptunes aan boord als de schepen de evenaar passeerden om de zeelieden, die de eerste maal hier kwamen, te dopen zodat ze, wanneer ze onverhoopt op zee zouden verdrinken, niet eeuwig hoefden rond te dolen maar als waardig lid in het rijk van Neptunes zouden worden opgenomen. Tegenwoordig worden er geen zeemeerminnen en mannen meer gesignaleerd.
De schepen varen sneller, de uitkijk is minimaal bezet en de radar merkt zo’n klein stipje stipje niet meer op. De mogelijkheid bestaat ook, dat dit wezen is uitgestorven, weggejaagd door het lawaai, vermorzeld door de sneldraaiende scheepsschroeven en vergiftigd door onze lozingen op zee. Echter rond 1400 bestonden ze nog…deze woest uitziende zeemeermannen en lieftallige zeemeerminnen. Dit feit kan worden geboekstaafd aan de hand van de volgende gebeurtenis, die de mensen in een dusdanige verwarring bracht dat ze op verschillende wijzen wordt verhaald. We gaan even terug in de tijd, naar de voor Zevenbergen vrij welvarende periode: de veertiende en vijftiende eeuw.
We moeten ons dan voorstellen, dat er nog geen polderbesturen waren terwijl Rijks Waterstaat ook nog niet al te best functioneerde waardoor het centrum van Zevenbergen aan groot water lag; aan de Deltamonding van de Mark, de Oude Maas en de Merwede. De Langenoordstraat (vroeger de Bovenstraat) was in die tijd een dijk om het water tegen te houden terwijl de Lage Wipstraat niet meer was dan een strook laag gelegen land aan de buitenkant van vernoemde dijk waar uit de grond paaltjes of wippen staken waaraan boten konden worden afgemeerd. Alhoewel deze Delta rijkelijk was voorzien van zandbanken (Fynen en Clunder) en modderplaten (Strienense Gors, Tullegors) lag Zevenbergen redelijk beschut aan de monding van de Mark, aan een nog hogere dijk dan de Bovenstraat, die in Noordelijke richting via Treeselingskerke en Ambachten, Wieldrecht, Strijen en Westmaas tot aan de Oude Maas liep. In Strijen woonde de heer van Zevenbergen, Gerrit van Strijen, die in Zevenbergen een kasteel had. Tegelijk met de bouw van dat kasteel was ook een muur om de stad gebouwd. Voor deze muur stond aan de noordkant een losse toren (Lobbekenstoren) waarvan de functie tot op heden niet erg duidelijk is; was het een duiventoren, vuurtoren of zoutpakhuis ? De fundering van deze toren is nog steeds te zien en ligt als blijvend monument op het kruispunt dr. Arienslaan- Zeestraat). Deze toren stond enige meters vanaf de stadsmuur in het water en zal ook wel erg karakteristiek zijn geweest voor Zevenbergen. Zoals al eerder vermeld, was Zevenbergen redelijk welvarend wat te danken was aan de plaatselijke zoutindustrie.
Door het zilte water te vermengen met as van verbrande turf (moer) en daarna te koken, kristalliseerde het zout uit het water en kon zo vergaard worden. Zout was toen, in tegenstelling tot heden, een kostbaar product (spreekwoord: het is het zout in de pap niet waard !), dat naar alle windstreken werd vervoerd, zelfs tot in Engeland. De benodigde turf werd overal rond Zevenbergen gewonnen (moeren) uit een laag die momenteel nog wel is terug te vinden in de grond en varieert van enkele centimeters tot enkele honderden meters dik (in de Watersnood 1953 zijn tijdens de doorbraak van de dijk van het Hollands Diep bij Zwingelspaan nog grote moppen turf weggespoeld). Het verhaal gaat, dat de winsten in die vette jaren zo goed waren, dat de bevolking met het geld bijna geen raad wist. Met zelf zout zieden, was men gestopt; men liet de bewoners van het eiland Clundert dat zware werk doen. De legende gaat verder: de Zevenbergenaren zelf brachten hun tijd door met verbrassen en verkwisten en tegen elkaar optroeven. Ze pochten zo met hun rijkdom, dat de paarden met goud waren beslagen terwijl hun woningen waren voorzien van gouden deurknoppen enz. Maar zoals altijd komt hoogmoed voor de val en gaat gierigheid gepaard aan rijkdom. Op de eerste januari 1421 kwam er een verdwaalde zeemeermin de haven van Zevenbergen binnenzwemmen omdat ze een enorme dorst had. De bevolking, eerst hevig geschrokken van zo’n vreemd wezen, half mens, half vis, dromde bij de haven bijeen. De zeemeermin verzocht de bevolking om een nap (kom) zout water om haar dorst te lessen. De bevolking weigerde dit; vermoedelijk durfde de vrouwen dat niet en de mannen niet vanwege het onzedelijke zicht…zo’n halfblote vrouw. De zeemeermin zag deze schrik voor weigeren aan en bij het zien van de welstand van de burgerij ontstak ze in woede en uitte haar bedreiging: “Zevenbergen zal vergaan, maar Lobbekenstoren zal blijven bestaan! “
Het verhaal gaat als volgt verder: de dorstige zeemeermin zwom verder naar Steenbergen waar zij haar verzoek herhaalde en werd daar voor de helft tegemoet gekomen; zij kreeg n.l. maar een halve kom water. Hierna zwom zij verder naar Bergen op Zoom alwaar zij haar gehele wens kreeg aangeboden…..een volle kom water ! Toen herinnerde zij zich de behandeling in Zevenbergen en Steenbergen en na de kom geheel te hebben leeggedronken, sloot zij haar bezoek aan Bergen op Zoom af met de woorden: “Zevenbergen zal vergaan, Steenbergen zal half vergaan, maar Bergen op Zoom zal blijven bestaan !” Zij heeft aardig geprobeerd haar woord te houden en met haar staart maakte ze steeds hogere golven, die op 19 november 1421 een dermate kracht bereikten dat daaruit de St. Elisabethsvloed ontstond.
Tijdens de realisatie van “Plan Krooswijk” in Zevenbergen werd ook een multifunctioneel gebouw gerealiseerd. De bouw van deze “Meerenhof” werd gecontroleerd door een commissie samengesteld uit diverse groeperingen zoals architect, aannemer, opdrachtgever en een belangengroep. Normaal gesproken wordt 1 % van de bouwkosten besteed aan een kunstwerk op of in het te bouwen object. De wijkvereniging diende via haar vertegenwoordiging in de bouwcommissie het voorstel in om een waterpartij te laten ontwerpen en te realiseren. Dit verzoek werd ingebracht en doorgegeven naar de beheerscommissie en verder naar B & W en de gemeenteraad. Na enige tijd besliste de gemeenteraad dat het aantal woningen rond het multifunctioneel gebouw niet voldoende was voor de dekking van het plan zodat er heftig bijgebouwd behoorde te worden. Er bleef daarom geen plaats meer over voor de waterpartij. Als reactie hierop liet de wijkvereniging tijdens de opening van “De Meerenhof” op 28 januari 1977 door staatssecretaris De Jong een alternatief kunstwerk onthullen om de openbare belangstelling op dit onderwerp te vestigen. Het alternatief kunstwerk symboliseerde het multifunctioneel gebouw uit de modder opgerezen door middel van een houten phoenix. Op 28 augustus 1978 kwam men op het idee een beeldje laten maken en omdat Krooswijk in de Torenpolder was gelegen, kwam men op het idee te kiezen voor een zeemeermin; het mocht echter niet gelijken op de zeemeermin in Kopenhagen. Na verloop van tijd werd de opdracht geplaatst. Het wasmodel werd gemaakt door Nico van Leest, dezelfde kunstenaar die “De Peejensteker” in het Kees Klaassenplantsoen in Zevenbergen heeft gerealiseerd. Het bronsgietwerk ten behoeve van de zeemeermin is gegoten in de toenmalige Sociale Werkplaats in Sittard. Einde 1982 is bij de Heidemaatschappij in Assen een grote zwerfkei aangekocht, die ging dienen als voetstuk waarna dan op 19 februari 1983 “De Zeemeermin” werd onthuld door burgemeester Reijnders.
Toen op 5- 2-1962 in Zevenbergen een comite werd opgericht om te komen tot de viering van een openbaar carnaval kreeg dit comite de naam…: ”Carnavalsvereniging De Zeemeermin”; niet bepaald carnavalesk, maar toch ! In de zeventiger jaren van de vorige eeuw is de organisatie Zevenbergs Carnaval statutair gewijzigd en is ook voor een andere, meer sprekende, naam gekozen n.l…..: “Stichting Carnaval Zevenbergen”.
In de stadssleutel welke elk jaar door de burgemeester wordt overhandigd aan Prins Carnaval van het Zeuvebultelaand, en welke sleutel in 1962 is vervaardigd door mijn vader, zit nog steeds de beeltenis van een zeemeermin. Deze originele sleutel is vanaf 1972 mijn persoonlijk bezit en heeft Karel Mangnus daarvan een replica gemaakt, die vanaf 1973 elk jaar wordt overhandigd.
Om in het tweede carnavalsjaar aan de nodige financien te komen, zijn er bierglazen geproduceerd en verkocht met dezelfde beeltenis van de zeemeermin als welke in de stadssleutel is verwerkt.



Top Aktueel Leuk om te weten